Presse

La mission catholique de Mikalayi au centre d’une collecte de fonds à Brabant

Août 28th, 2014 · Commentaires fermés sur La mission catholique de Mikalayi au centre d’une collecte de fonds à Brabant             

Kinshasa, 29/08(ACP).- A l’initiative de la famille Delrues et amis, plusieurs personnes se sont retrouvées récemment dans les faubourgs de la ville de Courtrai, province de Brabant en Belgique, pour récolter de l’argent en faveur de la mission catholique de Mikalayi, dans la province du Kasaï Occidental, en vue de sa reconstruction, annonce le site internet de l’archidiocèse de Kananga. Selon la source, M. Delrues qui est natif de la mission de Mikalayi, a débuté la rencontre par projeter un long métrage qui montre les infrastructures délabrées  construites par les missionnaires scheutistes dans les années 1890.

Il s’agit notamment de l’hôpital général de référence, des grandes écoles et de la centrale hydro-électrique de Mpolo, d’une capacité installée de 75kva, mais actuellement à l’arrêt faute des pièces de rechange. S’agissant singulièrement de la centrale hydro-électrique appelée à booster l’économie de toute cette contrée, la source précise qu’elle pourra reprendre ses activités dans un proche avenir après douze (12) ans d’interruption, grâce aux différentes initiatives de l’archidiocèse de Kananga et des autres particuliers originaires ou natifs de Mikalayi.

Le passage à Mikalayi des responsables espagnols de « Manos Unidas » (Main dans la main) l’année passée, et du Bureau d’entraide et solidarité chrétienne – toutes ces deux structures étant des bailleurs de fonds de cet ouvrage datant de 1892 – a redonné espoir à l’ensemble de la population locale qui mise sur ce barrage en vue de relancer toutes les unités de production en veilleuse.

Le site internet de l’archidiocèse de Kananga annonce également que dans la recherche de l’argent pour cette centrale hydro-électrique, une levée de fonds sera lancée dans les tout prochains jours à Bruxelles, à Kinshasa et à Kananga avec la vente des calendriers Mikalayi 2015 notamment. ACP/NGZ/Wet (Agence Congolaise de Presse)

http://acpcongo.com/acp/la-mission-catholique-de-mikalayi-au-centre-dune-collecte-de-fonds-a-brabant


Creatief en inventief - De broeders van Scheut in Kasaï, ca. 1890-1940 (Noortje Lambrichts)

In 1862 stichtte Theophile Verbiest de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria, met een moederhuis te Scheut. Hoewel de eerste broeders pas een dertigtal jaar later zouden intreden, hield de stichter bij de oprichting van de congregatie wel al rekening met die mogelijkheid. De recente historiografie besteedt steeds meer aandacht aan missiebroeders en -zusters en probeert een beeld te vormen van die grote groep religieuzen die een eigen, specifieke rol in het missiegebeuren had. Wie waren die broeders van Scheut? Wat was hun soci­ale en geografische afkomst? Hoe werden ze gerekruteerd en welke opleiding genoten ze in Scheut? Welke werkzaamheden verrichtten ze in de missies? Op die vragen probeerden we een antwoord te geven in onze masterproef, die de broeders van Scheut in Kasaï (Congo) in de periode 1890-1940 bestudeerde.

In 1890 werden voor de eerste maal sinds de oprichting van de congregatie de toela­tingsvoorwaarden voor broeders besproken op de Algemene Raad. De voorwaarden werden in de vorm van vlugschriften onder de bevolking verspreid. De eerste intre­dingen volgden al snel en tussen 1890 en 1894 vertrokken de eerste vier broeders naar de missies. De congregatie van Scheut was niet op zoek naar hoogopgeleide broeders, maar eerder naar mannen tussen de achttien en dertig jaar oud die lager onderwijs hadden genoten en eventueel ervaring hadden in de landbouw of in een ambacht. Ver­der werden ook een goede gezondheid en een godvruchtig karakter als belangrijke elementen aangehaald. Tussen 1890 en 1940 werden in totaal 199 broeders naar de mis­sies gezonden, van wie er 180 in Congo terechtkwamen.

“Onze flinke arbeiders- en boerenjeugd”

Verschillende factoren konden jongemannen ertoe aanzetten om een leven als broeder van Scheut na te streven: de invloed van familieleden en kennissen, bij­voorbeeld een oudere broer die lid was van een religieuze orde of congregatie, het con­tact met lokale clerus en missionarissen en ten slotte missieliteratuur in de vorm van annalen en tijdschriften van religieuze congregaties, die een overwegend romantise­rend beeld van de missies ophingen. De reden om een bestaan als broeder na te streven en niet een opleiding tot priester te volgen, blijft onduidelijk. Enerzijds kon de finan­ciële situatie van het gezin een jongen verhinderen om verdere studies aan te vatten; anderzijds was het intellectuele niveau niet altijd voldoende om de priesterstudies met succes af te ronden.

Broeders van Scheut waren over het algemeen afkomstig uit de lage middenklas­se, waarbij het beroep van de ouders zich overwegend situeerde in de landbouw- en ambachtssector. Dat feit ondergraaft de hypothese dat jongemannen intraden in een congregatie louter om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Zij die intraden, behoorden niet tot de financiële bovenlaag van de bevolking, maar beschikten toch over voldoende middelen om in de dagelijkse behoeften te voorzien. De scholingsgraad van de broeders beperkte zich in de meeste gevallen tot lager onderwijs, eventueel gevolgd door een aantal jaren vakschool. In de onderzochte groep vormden de broe­ders met een diploma hoger onderwijs een kleine minderheid.

“Tien voorname hoedanigheden van eenen goeden broeder”

De opleiding voor broeders van Scheut werd gespreid over een postulaat en een noviciaat van respectievelijk minimum zes maanden en een jaar. De constituties stipuleerden dat postulanten en novicen hun opleiding in Scheut moesten ontvangen onder leiding van een socius. Pas in 1934 wer­den de noviciaten van Jambes (Wallonië) en Nijmegen (Nederland) gesticht. Postulan­ten en novicen, en later ook de geprofeste broeders, werden tijdens hun vormingspe­riode van andere scheutisten gescheiden, voornamelijk om een negatieve beïnvloe­ding van de priesterstudenten en paters te voorkomen. Het postulaat werd beschouwd als een proefperiode waarin de congregatie probeerde na te gaan of de kandidaat in kwestie over de juiste mentale ingesteldheid en fysieke bekwaamheid beschikte om een leven als broeder van Scheut aan te kunnen. Het noviciaat stond volledig in het teken van de geestelijke vorming en het versterken van de roeping. Na het afronden van het noviciaat legde de broeder-novice voor de eerste maal de tijdelijke geloften af. De geprofeste broeders verbleven in het daartoe in 1896 speciaal opgetrokken broeder­huis.

Broeders-postulanten en -novicen, alsook geprofeste broeders werden belast met aller­lei huishoudelijke taken, gaande van wasdienst, koken, het onderhouden van de tuin en gebouwen, tot het verzorgen van het vee en meewerken in de drukkerij van Scheut. Hoewel in theorie een derde vormingsfase van twee jaar was voorgeschreven om de broeders tot bekwame vaklieden te scholen, werd dat in de praktijk niet altijd toege­past. Pas in 1921 werd voor de eerste maal besloten om de broeders professionele hout­bewerkingslessen aan te bieden, wat ertoe leidde dat in 1929 de eerste schrijnwerkerij in Scheut werd gebouwd. Al te vaak kwam het er in de praktijk op neer dat de broeders als werkkrachten in de huizen van de congregatie werden ingeschakeld, waardoor van gespecialiseerde vorming weinig sprake was.

De professionalisering van de opleiding was een proces van lange adem dat aanving in de jaren 1920, onder impuls van socius Van Roey en in een stroomversnelling kwam in de jaren 1950. In 1955 werd besloten om broeders enkel in de voormiddag huishoudelij­ke taken te laten vervullen, zodat ze zich in de namiddag aan les en studie konden wij­den. Voor de eerste maal verschenen gespecialiseerde vakken als koloniale vorming, bouwkunde, Frans en algemene vorming op het lesrooster. Toch werd ook die hervor­ming niet meteen omgezet in de praktijk en bleef de roep vanuit de missies om vakbe­kwame en praktisch geschoolde broeders groot. Het dagelijkse reilen en zeilen van de huizen van Scheut steunde voornamelijk op de arbeid die de broeders er verrichtten. De broeder-president kreeg orders van zijn overste, die hij op zijn beurt aan de broe­ders overbracht. Doorgaans hielden de broeders zich elk met een specifieke taak bezig, zoals keukendienst, houtbewerking, schoen- en kleermaker, drukker en dergelijke. De opgedane kennis en kunde vormden de basis voor de werkzaamheden in de missies.

Scheut in Congo

Na de erkenning van Congo Vrijstaat als een privébezit van koning Leopold II in 1885 ging hij op zoek naar religieuze insti­tuten die de missionering van het gebied op zich wilden nemen. Om de invloed van Engelse en Franse missionarissen teniet te doen, deed hij een beroep op Belgische katholieke instituten. Na een aantal vruchteloze pogingen kwam Leopold II in contact met Scheut. De congregatie van Scheut ontving de goedkeuring van de Propaganda Fide en op 9 april 1888 werd het apostolisch vicariaat Congo Vrijstaat opgericht.

Op 25 augustus van dat jaar vertrok de eerste karavaan van missionarissen, zonder broeders, richting Congo. De daarop­volgende jaren werden talrijke nieuwe missieposten gesticht. In juli 1901 werd besloten om de missie van Opper-Kasaï af te scheiden van het vicariaat. De missie, waarvan pater Cambier overste werd, telde ondertussen vijf missieposten: Luluaburg Sint-Jozef (°1891), Merode-Salvator (°1894), Sint-Trudo (°1895), Hemptinne Sint-Benedictus (°1897) en tot slot Tielen Sint-Jacobus (°1898). Drie jaar later werd de missie verheven tot prefectuur en in 1917 tot vicariaat. Ondertussen was in 1893 de eerste broeder met de boot richting Congo vertrokken. Die broeder, Frederik Buyle, werd later toegewezen aan de missie van Kasaï. Enkele jaren later werden twee broeders naar de missie van China gezonden, maar dat bleek geen succes. Er zouden geen nieuwe broeders in het gebied worden benoemd.

De missie van Kasaï: onbekend terrein

Het werk van de broeders in de missies was vergelijk­baar met het werk in Europa, maar de omstandigheden verschilden grondig. De middelen die men in Kasaï ter beschikking had, waren beperkt en de praktische kennis van de broeders was niet altijd toereikend, vandaar de gewoonte tot verdere praktische scholing in de missies. Bovendien werden ze er geconfronteerd met nieuwe gewassen en grondstoffen, zoals rubber, die ze gaandeweg leerden hanteren. Ten slotte vonden ook allerlei technologi­sche innovaties, zoals het gebruik van elektriciteit, ingang in de missies en werden de broeders gedwongen kennis op te bouwen van die nieuwe ontwikkelingen.

Het optrekken van gebouwen in Kasaï verliep enigszins anders dan in Europa. Wanneer er geen klei beschikbaar was om bakstenen te maken, werden gebouwen uit stampaar­de vervaardigd. Die constructies waren echter zeer kwetsbaar voor de invloed van de natuurelementen en dienden op termijn vervangen te worden door bakstenen exem­plaren. Het vervaardigen van bakstenen was een hele onderneming in Kasaï. Ovens werden gebouwd en hout werd aangevoerd om de ovens te stoken. Toen hij in 1948 in de missie van Hemptinne het hospitaal bouwde, liet broeder Karel rotsen opblazen die als fundering zouden dienen. Daarna kwamen 40 houtkappers uit de omgeving en na ongeveer een maand werk was er voldoende hout om 600.000 bakstenen te bakken. De aanvoer van klei voor de bakstenen en de dakpannen gebeurde ook door de inheem­se bevolking, meestal tegen een vooraf overeengekomen vergoeding. In 1917 ontwierp broeder Amandus zelf een machine om tegels te produceren. Creativiteit en inventivi­teit waren sleutelbegrippen voor de missiebroeders.

De moderniteit diende zich eerst en vooral aan in de vorm van een drukkerij uit Europa die in 1908 de missie van Hemptinne bereikte. In de jaren 1920 deden de eerste wagens en motoren hun intrede in de missie van Kasaï. In de missiepost van Hemptinne werd een centrale garagepost opgericht, die werd geleid door een broeder. De missiepost van Luluaburg St. Jozef beschikte in 1921 over een volledig uitgeruste werkplaats met aller­lei elektrische machines, zoals een cirkelzaag, slijpmachine, lintzaag en boormachine. Op het einde van de jaren 1930 werd de vraag naar broeders met kennis van elektrici­teit en mechanica steeds groter.

De broeder als intermediaire figuur

Broeders stonden in voor de praktische aspecten die de missionering met zich meebracht en waren minder intel­lectueel geëngageerd. Op die manier stonden ze dichter bij de lokale bevolking dan de paters of ze onderhielden in ieder geval op een andere manier contacten met de Afrikanen. Voor de uitvoering van het werk deden de broe­ders een beroep op de plaatselijke bevolking. De broeder delegeerde het werk, stuurde de arbeiders bij en leidde hen op tot schrijnwerker, veehoeder enzovoort. Ondanks hun vaak paternalistische houding, eigen aan de tijd, konden ze als werkman ook het res­pect van de Afrikanen verdienen.

Geleidelijk verwierf de broeder in de missiecontext een grotere verantwoordelijkheid en zelfstandigheid. Terwijl hij zich in Europa op de laagste trede van de hiërarchie bevond, werd in Congo de onderste laag van de hiërarchische organisatie ingenomen door de inheemse bevolking. De bevoegdheden van de broeder werden uitgebreid en hij kreeg een grotere beslissingsmacht toegekend, uiteraard beperkt tot het terrein van zijn werkzaamheden. De emancipatorische kracht van de missiecontext mag echter niet overschat worden. Paters bleven meewerken aan de materiële uitbouw van de mis­sieposten en stonden vaak aan het hoofd van grote bouwwerken, terwijl de broeders een deelaspect, zoals de schrijnwerkerij, op zich namen.

Broeders van Scheut hadden een eigen profiel, verschillend van de paters. Hun verhaal bleef, net zoals dat van de missiezusters, vaker in de anonimiteit, maar hun bijdrage aan de missiewerken mag niet onderschat worden.

Uit: KADOC-nieuwsbrief 2012/1 (KADOC / Documentatie- en onderzoekscentrum voor religie, cultuur en samenleving / Interfacultair centrum KU Leuven)

https://kadoc.kuleuven.be/pdf/nieuwsbrief/nb_2012/nb_2012_01.pdf


Sulfadoxine-pyrimethamine resistance and intermittent preventive treatment during pregnancy: a retrospective analysis of birth weight data in the Democratic Republic of Congo (DRC)

Likwela JL1D'Alessandro ULokwa BLMeuris SDramaix MW.

Author information

1Université Libre de Bruxelles, Brussels, Belgium. losimba@ulb.ac.be

Abstract

OBJECTIVE: 

To assess the effect of intermittent preventive treatment with sulfadoxine-pyrimethamine (IPTp-SP) on birth weight in sites with varying degrees of drug resistance.

METHODS: 

Birth weight data from three regions in Democratic Republic of Congo with varying degrees of sulfadoxine-pyrimethamine (SP) resistance (1.6% in Mikalayi, 21.7% in Kisangani and 60.6% in Rutshuru) were analysed retrospectively by means of a logistic model that included the number of SP doses taken by the mother and other potentials confounding factors.

RESULTS: 

The IPTp-SP reduced the risk of low birth weight (LBW) in Kisangani (adjusted OR, 0.15; IC95%, 0.05-0.46) and in Mikalayi (adjusted OR, 0.12; IC95%, 0.01-0.89). In both sites, the average birth weight was higher for mothers having received two rather than one or no SP doses (P<0.001). In Rutshuru, IPTp-SP had an effect in primigravidae but not in multigravidae. However, after adjustment for other LBW risk factors, there was no difference in the proportion of LBW (adjusted OR 0.92; IC95%, 0.37-2.25) between women having taken at least 2 SP doses and those with only one dose or none. 

CONCLUSION: 

IPT-SP remains an effective strategy in Kisangani and Mikalayi where the therapeutic failure to SP in children with clinical malaria was 21.7% and 1.6%, respectively, while IPTp-SP effect seems lower in Rutshuru where the therapeutic failure to SP was 60.6%. The threshold value of SP resistance at which IPTp-SP fails to have a significant impact on birth weight and LBW is unknown. Considering that no alternative is currently available, additional studies on the efficacy of IPTp-SP in the areas of high SP resistance such as Rutshuru are needed so that the threshold at which this intervention fails to provide any benefit is determined with some precision.

(Trop Med Int Health. 2012 Mar;17(3):322-9. doi: 10.1111/j.1365-3156.2011.02935.x. Epub 2011 Dec 30.)

© 2011 Blackwell Publishing Ltd.      PMID: 22212628 [PubMed - indexed for MEDLINE]

http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/22212628